
De Kanaänieten, de bewoners van het huidige Israël en zuid-Syrië, moesten in de laatste jaren van het 2e millennium hun land grotendeels prijsgeven aan de Arameeën en de daaraan verwante Hebreeën of Israëlieten. In de Bijbel kunnen we hier grotendeels over lezen in het boek Jozua. In het boek Richteren lezen we dat de Israëlieten vaak oorlog hadden met een volk dat daarvoor nog niet genoemd word in de Bijbel. Dit volk werd de Filistijnen genoemd. Zij waren uit het Egeïsche gebied afkomstig en woonden in de kuststrook van Gaza tot Askelon. Dat verklaard waarom de Bijbel de Filistijnen beschrijft als een sterke vijand.
Ook in de tijd dat David koning was, waren er nog Filistijnen. Maar onder zijn regering waren ze vrijwel onschadelijk gemaakt. Een tiental jaren geleden betwijfelden onderzoekers of het koninkrijk van David wel echt had bestaan. En als het had bestaan of het dan wel zo groot was als de Bijbel zegt. In 1993 werd een steenfragment uit de tijd van koning David gevonden. Op deze inscripte staat onder andere ‘Het huis van David’ en ‘Koning van Israël’. De steen lijkt een herinnering te zijn aan een overwinning van de Arameeërs (in wat nu Syrië is) op de Israëlieten.
Sinds die tijd zijn er ook andere verwijzingen naar David gevonden, onder andere een Egyptische wandinscriptie van ongeveer 50 jaar na de dood van David. In de inscriptie in hiërogliefen is sprake van een plaats met een naam die volgens Egyptologen de ‘heuvels van David’ betekent. Jeruzalem, de stad van David (2 Samuël 5:9), ligt in de heuvels van Judea.
De Gichonbron bevindt zich in de Kidronvallei en was voor het oude Jeruzalem de belangrijkste waterbron. David en zijn mannen gingen via deze waterbron de stad Jeruzalem binnen (2 Samuël 5:8) om deze te veroveren. De archeoloog dr. Reich heeft aangetoond dat de tunnel bij de bron dateert van ongeveer 1.800 voor Christus. De tunnel betond dus inderdaad al in de tijd dat David leefde.
David is ook bekend om de vele Psalmen die hij schreef. Honderd jaar geleden betwijfelden sommige Bijbelgeleerden of David de Psalmen wel echt had geschreven. Ze dachten dat ze pas enkele honderden jaren later waren opgeschreven. Archeologische vondsten bewijzen echter het tegendeel.
Er zijn opvallende overeenkomsten tussen de Psalmen en liederen die gevonden zijn bij andere culturen uit de oudheid, zoals de Egyptische, de Babylonische, de Kanaänitische en de Assyrische. Er is zeer waarschijnlijk een zeker verband tussen al deze liederen. In ieder geval dat ze uit dezelfde tijd stammen. Voor sommige liederen van de Babyloniërs is er archeologisch bewijs dat ze ongeveer uit de tijd van David stammen.