
Wanneer we de levens van Mozes en Jezus bekijken dan zien we ontzettend veel overeenkomsten. Gelet op de woorden van Mozes in Deuteronomium 18:15-18 is dat ook logisch, want Mozes voorspelt daar de komst van Jezus. De overeenkomsten zijn vooral geestelijk van aard. In Lucas 24:27 maakt Jezus duidelijk dat Mozes op Hem wees.
1. Ten tijde van Mozes ging Israël gebukt onder vreemde overheersing; het was een slavenvolk in de macht van
Egypte, met de Farao aan het hoofd, die despotische decreten uitvaardigde: zware dwangarbeid (Ex. 1:11, 14; 5:6-9).
Ten tijde van Christus ging Israël opnieuw gebukt onder vreemde overheersing; het was een slavenvolk
(vgl. Neh. 9:36v) in de macht van de Romeinen, met de keizer aan het hoofd (benadrukt door Lukas), alsmede de
Edomitische koning Herodus (benadrukt door Matteüs). Israël was onderworpen aan de despotische decreten van
Augustus: de ‘inschrijving’ hield een volksstelling en een schatting met het oog op zware belastingen in
(Luk. 2:1).
2. Jochebed legde haar kind in een zeer uitzonderlijke ‘wieg’: een biezen kistje, omdat er voor het kind geen
plaats was in de samenleving; een jonge vrouw bleef vlak bij het mandje: Mirjam (Grieks: Maria) (Ex. 2:3v).
Maria legde haar kind in een zeer uitzonderlijke ‘wieg’: een kribbe, d.w.z. een voederbak voor dieren, omdat er voor het
kind geen plaats was in de herberg; de jonge Maria (Hebreeuws: Mirjam) zat bij de kribbe (Luk. 2:7, 16).
3. Mozes deed grote wonderen (Ex. 7-14; Deut. 34:10-12);
Jezus deed nog grotere wonderen dan Mozes. Hij zei:
"Indien ik niet de werken (de wonderen) onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen
zonde hebben” (Johannes 15:24).
4. God heeft Mozes het brood uit de hemel gegeven (Ex. 16:8, 15);
God heeft Jezus als brood uit de hemel
gegeven (Joh. 6:32-35).
5. De wet is door Mozes gegeven (Ex. 24:12);
De genade en waarheid is door Jezus Christus geworden (Joh. 1:17).
6. Het verbond van Mozes werd met dierenbloed ingewijd (Ex. 24:6-8),
dat van Christus met Diens eigen bloed
(Matt. 26:28; Luc. 22:20). Zie ook Hebr. 9:18-23.
7. De transfiguratie op de berg van Mozes (Ex. 34:29,35)
en van Jezus (Matt. 17:2)
8. Nationaliteit, Mozes was een Israëliet (Ex. 2:1,2)
net als Jezus naar het vlees (Matt. 1:1-17)
9. Mozes redde Israël uit de gevangenschap en slavernij van Egypte (Ex. 3-4; Hand. 7:20-39);
Jezus redde de
wereld uit de gevangenschap en slavernij van de zonde (Matt. 20:28; Ef. 2:1-8; Rom. 3:28, 4:6)
10. Mozes’ opdracht van God werd bevestigd door de wonderen die Mozes deed.
Zo werd ook Jezus’ opdracht
bevestigd door wonderen (Matt. 11:4,5).
Het is ook opmerkelijk om te zien dat Mozes de eerste is in het Oude
Testament die wonderen verrichtte; Jezus is de eerste in het Nieuwe Testament die wonderen verrichtte. Johannes de
Doper verrichtte bijvoorbeeld geen wonderen.
11. Mozes strekte zijn hand uit over het water en de Heer deed de zee uiteenwijken door een sterke oostenwind. (Ex. 14:21)
En de mensen verwonderden zich en zeiden: Wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn? (Matt. 8:27)
12. Israël begreep niet dat toen de koning van Egypte stierf, hun ketenen verstevigd werden, en ze vroegen God
naar het waarom. (Ex.2:23)
De discipelen van Jezus begrepen niet waarom de Messias naar het kruis moest gaan. (Matt. 16:21-23; Hand. 1:3-7)
13. Het volk stond klaar om Mozes te stenigen. (Ex. 17:4)
Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar Jezus verborg Zich en verliet de tempel. (Joh. 8:59)
14. Mozes nam twaalf mannen apart van het volk. (Deut. 1:23)
Jezus deed hetzelfde, En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn. (Marc. 3:14)
15. Mozes, vergader Mij uit de oudsten van Israël zeventig mannen. (Num. 11:15)
Daarna wees de Here nog zeventig aan. (Luc. 10:1)
16. Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Aäron, en zeide
tot hem:… wij weten niet, wat er van hem geworden is. (Ex. 32:1)
Waar blijft de belofte van zijn komst? (2 Petr. 3:4)
17. Mozes, Zijn knecht (Psalm 105:26).
Jezus Mijn knecht (Matt. 12:18).
18. Mozes, de profeet (Deut. 18:15-18).
Jezus de profeet (Luc. 7 :16 ; Joh. 6 :14).
19. Mozes een priester (Ps. 99:6), zie voor een illustratie Leviticus 8 en dan vooral verzen 15,16 en 19:23.
Jezus een priester (Hebr. 7:24;9:14).
20. Mozes een herder (Ex. 3:1).
Jezus een herder (Joh. 10:11, 14).
21. Mozes een middelaar (Ex. 33:8,9).
Jezus een middelaar (1 Tim. 2:5).
22. Mozes een voorbidder (Num. 21:7).
Jezus een voorbidder (Rom. 8:34).
23. Mozes een rechter (Ex. 18:13).
Jezus een rechter (Joh. 5:27; Mat. 25:31-46; 2 Kor. 5:10).
24. Als klein kind was zijn leven in gevaar, toen de regerende koning, de Farao orders had gegeven, Werpt alle
jongens die geboren worden, in de Nijl, (Ex. 1:22).
Dit doet ons natuurlijk denken aan Toen Herodes zag, dat
hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied
daarvan al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen. (Matt. 2:16)
25. Mozes bracht zijn jonge jaren door in Egypte.
Hetzelfde geldt voor Jezus: zie, een engel des Heren
verschijnt Jozef in de droom en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar,
totdat Ik het u zeg; want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen. Hij stond op en hij nam
in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte (Matt. 2:13-14). Zo werd vervuld wat door de
profeet gesproken is: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen. (Hosea 11:1).
26. Beiden waren diepbegaand met het volk Israël en waren bereid om zichzelf te geven voor het volk.
27. Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter,
maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de
smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de
vergelding. (Hebr. 11:24-26)
Wat een voorafschaduwing was dit van Hem, die, in de gestalte Gods zijnde, het
Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een
dienstknecht heeft aangenomen. (Filippenzen 2:6-7)
Net als Mozes gaf Jezus vrijwillig rijkdom, glorie en een koninklijk paleis op.
28. Beiden werden afgewezen door hun broederen. En de volgende dag vertoonde hij zich weer onder hen, terwijl
zij aan het vechten waren, en hij maande hen tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders, waarom doet gij
elkander onrecht? Maar hij, die zijn naaste onrecht deed, stiet hem van zich en zeide: Wie heeft u tot overste en
rechter over ons aangesteld? (Hand. 7:26-27).
Dit is al triest, maar nog triester is dit, Hij kwam
tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. (Joh. 1:11)
We zien vaker in de Bijbel dat broederen niet luisteren, bijvoorbeeld in het geval van Jozef. Bij Jozef was het
echter gericht tegen zijn persoon (Gen. 37:4), bij Mozes waren zijn broederen vijandig tegen zijn missie. Jozef
werd persoonlijk gehaat; Mozes officieel afgewezen: “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons
aangesteld”? Hetzelfde gebeurde met Jezus, Israël zei: Wij willen niet, dat deze koning over ons wordt
(Luc. 19:14).
29. Weg van zijn eigen land, lezen we over Mozes, Daar zat hij neer bij een bron (Ex. 2:16).
De enige keer
dat we lezen dat Jezus bij een bron neerzit, is Hij ook buiten Israël’s grenzen, in Samaria (Joh. 4:4, 6).
30. Voordat Mozes aan zijn echte opdracht/bediening begon, bracht hij jaren door in afzondering. Wie had
gedacht dat deze, die ergens in de woestijn was, zo’n hoge eer te beurt zou vallen.
Zo was het ook met de Zoon
van God. Voordat Jezus aan zijn openlijke bediening begon, was Hij in afzondering in Nazareth. Wie had ooit
gedacht dat Hij verlossing zou brengen.
31. Mozes werd geroepen om God’s volk te verlossen van slavernij in Egypte: Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao,
om mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden (Ex. 3:10).
Zo werd Jezus gezonden in deze wereld om het
verlorene te zoeken en te redden (Luc. 19:10).
32. Mozes voldeed aan zijn door God gegeven opdracht en leidde Israël uit het huis van slavernij: Deze Mozes,
die zij verloochend hadden door te zeggen: Wie heeft u tot overste en rechter aangesteld, heeft God als een
overste en bevrijder gezonden (Hand. 7:35).
Zo bevestigde Jezus, Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft,
zult gij werkelijk vrij zijn (Joh. 8:36).
33. Opmerkelijk is de voorafschaduwing van de doop door Mozes, Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee (1 Korintiërs 10:1-2). Gehoorzame christenen laten zich dopen (Matt. 16:16; 28:19).
34. De autoriteit aangevochten van Mozes in Numeri 16:3;
van Jezus in Matteüs 21:23.
35. Zowel Mozes (Ex. 5:22, 8:12, 9:33, 14:15, 15:25, 17:4)
als Jezus waren mannen van gebed (denk aan
Getsemane in Matt. 26:36-46). Vooral in het evangelie naar Lucas ligt de nadruk van Jezus als man van gebed.
36. Mozes voorzag het volk van water in Numeri 20:11
en Jezus doet ditzelfde in Johannes 4:14 en 7:37.
37. Het vasten van beiden in Exodus 34:28 en Matteüs 4:2.
38. Het bidden voor vergeving voor Israël in Numeri 14:19 en Lucas 23:34.
39. Beiden hebben hun broeders gewassen met water. En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen en wies hen
met water (Lev. 8:6).
Wie kan de gelijkenis ontgaan met Johannes 13:5: Daarna deed Hij water in het
bekken en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de doek, waarmede Hij omgord was.
40. Het volbrengen van de opdracht die God had gegeven, zo voleindigde Mozes het werk (Ex. 40:33).
Een
soortgelijke verklaring horen we van Jezus, Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen,
dat Gij Mij te doen gegeven hebt (Joh. 17:4).
41. Hun dood was ten goede voor God’s volk, het verging Mozes kwalijk om hunnentwil (Ps. 106:32), Maar de HERE
was tegen mij verbolgen om uwentwil.
De gelijkenis met Jezus kan ons niet ontgaan (Jes. 53:4-6).
42. Beiden wisten dat het volk geleid moesten worden als zij er niet meer zouden zijn op aarde. In
Deuteronomium 31:23 stelt Mozes Jozua als zijn opvolger aan.
Jezus geeft de belofte van de heilige Geest die
leiding geeft aan de gemeente (Joh. 14:16,18).
Zowel Mozes en Jezus stellen hier het volk gerust, ze worden
niet als “wezen” achtergelaten.